#ASK Petra van der Kooij

Voor de rubriek #ASK stellen we een aantal vragen aan een boeiend persoon die actief is op het gebied van kunst, design & architectuur in Rotterdam. Het Piet Zwart Institute huisvest de masteropleidingen van de Willem de Kooning Academie in Rotterdam en is dé plek waar studenten hun kennis over kunst, design en kunsteducatie verfijnen. Petra van der Kooij is coördinator van de Master of Fine Art binnen het Piet Zwart Institute en wij vragen haar hoe het is om kunstenaars te begeleiden tijdens hun Masteropleiding.

Hoe zorg je er voor dat het talent van een kunstacademiestudent tot bloei komt tijdens hun master? Op welke manieren worden zij voorbereid op de kunstwereld en welke rol hebben jullie daar in als instituut? En hoe vervul jij je rol daar binnen?

Er worden ieder jaar ongeveer vijftien studenten aangenomen voor de Master of Fine Art en dat zijn dan vaak ook mensen die al vrij goed weten welke kant ze op willen. Wij kunnen hen helpen om nog preciezer aan te geven waar ze voor staan als kunstenaar. Ook bieden wij een professional practice workshop tijdens de tweejarige opleiding, waarin het aanschrijven van fondsen en subsidies centraal staat en hoe je als kunstenaar leert op te komen voor je rechten om bijvoorbeeld naar redelijkheid betaald te krijgen voor het werk dat je maakt in plaats van liefdewerk oud papier. Ons docententeam bestaat uit internationale kunstenaars en kunstcritici die de studenten begeleiden tijdens de tweejarige master, dit gebeurt tijdens studio visits, seminars en group critics. Een eigen studioruimte is daarbij erg belangrijk, een plek waar ze veilig dingen kunnen uitproberen en waar ze kunnen reflecteren op hun werk. We hebben op onze locatie momenteel dertien studio’s met ruime openingstijden.

Maar onze studenten hebben best een zware tijd achter de rug, zij zijn gestart tijdens de pandemie en hebben de opleiding en Rotterdam daardoor op een heel andere manier ervaren. We hebben veel internationale studenten die soms niet weten wanneer ze hun familie weer kunnen zien. Ze hebben ook minder sociale interactie met elkaar, al mochten ze gelukkig wel naar hun studio op onze locatie komen. Maar veel lessen vonden (en vinden nu weer) online plaats en daarmee gaat toch een bepaald element verloren en dat heeft ook invloed op de kunst die ze maken. Het Piet Zwart Institute is een intensief traject, waarin studenten normaliter juist veel met elkaar optrekken, en dat is nu lastiger. Als instituut bedenk je dan: hoe speel je daar op in? Hoe kunnen we hen ondersteunen en hen tegemoet komen in hun individuele behoeften? Maar deze situatie biedt ook kansen. Studenten kunnen nu bijvoorbeeld een gastles krijgen van een kunstenaar aan de andere kant van de wereld, van iemand die we in een normale situatie niet zomaar hadden kunnen laten overvliegen.

Maar omdat je elkaar minder face to face ziet moet je soms iets meer doorvragen om te horen hoe het met studenten gaat. Er zijn bijvoorbeeld dingen die sneller boven tafel komen als je elkaar op de gang even spreekt, dan voelen ze toch een drempel om daar een mail over te sturen. Je weet uit ervaring ook welke momenten het meest zwaar zijn en daar anticipeer je dan op. Bijvoorbeeld als ze net gestart zijn of juist rond het afstuderen. Dan hebben ze vragen over de toekomst en wat ze gaan doen zodra ze zijn afgestudeerd. Zo’n tweejarige studie klinkt lang, maar is dan toch ineens snel voorbij. Onze internationale studenten (zo’n 90% van het totaal) zijn bovendien vaak ver van de mensen van wie ze houden en er moet na aankomst veel geregeld worden in Nederland. Je wilt vooral alle randvoorwaarden goed houden. Het scheelt ook dat ik geen beoordelende functie heb, waardoor het makkelijker is om met mij te praten, soms met een kopje thee. Dat waarderen ze dan ook. Ik ben de eerste waar ze contact mee hebben als ze worden aangenomen en daarmee al snel een vertrouwd gezicht. Ik ben een luisterend oor en soms kan zo’n gesprek leiden tot praktische oplossingen, zoals een aangepast rooster als een student het moeilijk heeft.

Fotograaf Danny Giles

Wat vind je het meest uitdagende en belonende aspect van je werk? Waar krijg je het meeste energie van?

Het is echt bijzonder om te zien hoe iedereen zich ontplooit; de ene vroeger dan de ander, allemaal met verschillende karakters en werkwijzen. Ik vind het belangrijk om samen een plek te creëren waar ze zich veilig voelen en zich kunnen ontplooien. Waar ze werk kunnen maken waar ze trots op zijn. Je wilt vooral dat ze een goede ervaring hebben, in een sfeer waarin iedereen alles aan kan kaarten. Ik krijg energie van het eindresultaat, als je ziet wat voor mooie projecten er uit voortkomen. Kunst laat ons op een andere manier naar de wereld kijken en kunstenaars kunnen ons soms echt nog verrassen, wat toch zeldzaam is. Maar ik krijg ook energie als ik zie dat mensen blij zijn met hun studio in ons gebouw, of als we een interessante gastdocent weten te strikken. 

Hoe zou je jouw band met de stad Rotterdam beschrijven?

Ik ben geboren in Schiedam, maar ik voel me een Rotterdammer. Ik heb een deel van mijn studie hier afgerond en een deel in Leiden. Ik zeg altijd: ik zou nergens anders in Nederland willen wonen. De stad is groot genoeg om te gelden als een metropool, maar klein genoeg om gemakkelijk de afstand van Noord naar Zuid te overbruggen. Er is altijd iets nieuws te ontdekken, er gebeurt altijd iets en de stad vindt zich steeds opnieuw uit. Niet altijd in positieve zin, maar het is nooit saai. Er is veel ruimte voor evenementen en de stad heeft een aantal mooie musea, maar er is ook heel veel mogelijk voor kleine stichtingen en kunstenaars. Je ziet dat veel studenten blijven hangen na hun studie, hier een studio of werkplaats vinden of zelf een space starten. Dat zegt ook wat over Rotterdam, dat dat mogelijk is. Hopelijk blijft dat zo!

Waar kijk jij het meeste naar uit tijdens Rotterdam Art Week?

Ik ben erg benieuwd naar de expositie van Alexandra Phillips als onderdeel van Brutus. Zij heeft voor ons een online gastles verzorgd en het lijkt me leuk om haar werk fysiek te kunnen bekijken. En in PB3 zal tijdens Rotterdam Art Week werk te zien zijn van Willem de Kooning en Piet Zwart alumni.

#ASK Julia Pelealu

Julia Pelealu staat bekend om haar prachtige fotoreeksen waarvoor ze zich laat inspireren door rebelse en onafhankelijke vrouwen uit de geschiedenis. Eigenlijk spreekt de Rotterdamse fotograaf en kunstenaar liever niet teveel over haar werk, omdat ze het veel fijner vindt als de kijker mee wordt getrokken dankzij hun verbeeldingskracht. Ze werd onlangs door Huis van de Fotografie Rotterdam uitgenodigd voor een residentie, een werkperiode waarin ze kans krijgt om haar praktijk te verdiepen. Onlangs trad ze ook toe tot het bestuur van Huis van de Fotografie. Wij stelden haar een paar vragen om meer over haar te weten te komen.

Wat houdt zo’n residentie precies in?

Kort gezegd ben je als ‘artist in residence’ ergens tijdelijk te gast als kunstenaar. Ik werd uitgenodigd door het Huis van de Fotografie om gebruik te maken van het prachtige Tuinkamer Atelier, dat ik momenteel deel met twee andere kunstenaars in de fotografie, namelijk Vivianne Ammerlaan en Sabine van der Vooren. We werken daar ieder aan ons eigen project, maar wonen er niet. Ik wil het wel als artist in residence benoemen, omdat het Huis van de Fotografie voelt als een thuis. Het prachtige pand aan de Westersingel is authentiek en sfeervol. Het is belangrijk dat je een werkatelier hebt wat rust en inspiratie brengt. Veel van mijn werken en toekomstige werken spelen zich af terug in de tijd. Daarom is het pand waar het instituut gevestigd is zeer inspirerend voor mijn nieuw werk. Daarnaast is het Huis van de Fotografie voor én door fotografen. Een plek waar de fotografie centraal staat, een platform voor fotografen. Het Huis van de Fotografie is opgezet door Annet Schipper, Helma Vlemmings en Vivian Ammerlaan. Zij hebben Rotterdam daarmee een plek gegeven waar de fotograaf zich thuis en welkom voelt. Een plek waar je geïnspireerd raakt door andere kunstenaars en hun artworks.

Julia Pelealu – “Never apologize for being a powerful woman”

Waardoor word je het meest geïnspireerd in je werk? 

Je hebt een plek nodig om je als kunstenaar verder te ontwikkelen. Om je met andere kunstenaars te verbinden en te leren van elkaars ervaringen. Dit gebeurt in het Huis van de Fotografie onder andere door middel van fototentoonstellingen. Laatst hebben we ook een Beeldborrel georganiseerd, waar fotografen hun boekwerken presenteerden en hun ervaringen deelden, maar ook hoe je zelf een fotoboek kan maken en wat de mogelijkheden zijn. Dat evenement is met zoveel enthousiasme ontvangen door bezoekers dat we in de toekomst nog meer mooie Beeldborrels en tentoonstellingen zullen organiseren — en zien. Ik word daarnaast het meest geïnspireerd door boeken die ik lees en films die ik kijk.

Hoe zou je jouw band met de stad Rotterdam beschrijven? 

Rotterdam is mijn liefde en deze liefde is oneindig. Geboren in de Afrikaanderwijk op zuid, getogen in IJsselmonde. Een band is zacht uitgedrukt. Rotterdammer ben ik in hart en ziel.

Fotograaf: Saskia Godschalk

Waar kijk je het meest naar uit tijdens de komende editie van Rotterdam Art Week? 

Ik kijk natuurlijk het meest uit naar de Fototentoonstelling in het Huis van de Fotografie. Daarnaast breng ik zeker een bezoek aan Rotterdam Photo, omdat het thema The Human Blueprint volgensmij spannende foto’s gaat opleveren, vooral in de samenleving waar wij nu in leven, waarin ontzettend veel aan het veranderen is. Van werkmaatschappij tot opvoeding van kinderen, wie ben jij en wat wil je? Heel de wereld zit in een transformatie waar zoveel onwerkelijk is, waarbij je ook gaat voelen dat je leeft in een wereld van alleen energie. Dat maakt zoveel los. Daarom denk ik dat kunstenaars met heel spannende artworks gaan komen, ik kan niet wachten om in hun wereld te stappen.

Ook ben ik erg nieuwsgierig naar de tentoonstelling van Chas Gerretsen in het Nederlands Fotomuseum. Hij is journalist en reportagefotograaf. Hij heeft onder andere de oorlog in Vietnam en de staatsgreep in Chili gefotografeert, maar ook beroemdheden. Ik hou ontzettend van geschiedenis en portretten, fotografen brengen de geschiedenis tot leven met beelden en die emotie voel je diep. Ja, ik kan niet wachten waar Rotterdam Art Week mij mee naar toe brengt. Spannend! 

Ontdek het werk van Calder — en zijn invloed op het werk van 10 hedendaagse kunstenaars — nu in de Kunsthal

Er zijn weinig kunstenaars wiens werk zo universeel geliefd is als dat van de Amerikaanse beeldhouwer Alexander Calder. Voor het beroemde kunstverzamelaars-power couple Irma & Norman Braman — de drijvende kracht achter de oprichting van Art Basel Miami — vormde het werk van Calder zelfs de aanleiding om een indrukwekkende kunstverzameling te beginnen. Ze zagen zijn werk voor het eerst in de illustere Maeght Foundation in Zuid-Frankrijk. Irma: “We hadden eerder al wel kunst gezien, maar dit opende echt een nieuwe wereld voor ons.” Afgelopen oktober was er nog een gigantisch sculptuur van Calder te zien op het Place Vendôme in Parijs, ten tijde van de FIAC kunstbeurs. Maar zo ver hoef je niet te reizen: je kunt op dit moment een prachtige tentoonstelling over zijn werk zien in de Kunsthal in Rotterdam. In de verrassende tentoonstelling ‘Calder Now’ vind je overigens niet alleen werk van de kunstenaar zelf, maar ook van tien andere kunstenaars die allemaal beïnvloed zijn door zijn werk: Olafur Eliasson, Žilvinas Kempinas, Simone Leigh, Ernesto Neto, Carsten Nicolai, Roman Signer, Aki Sasamoto, Monika Sosnowska, Sarah Sze en Rirkrit Tiravanija. 

Alexander Calder werd in 1898 geboren in een klein dorpje in Pennsylvania. Het was een artistiek gezin; zijn vader was beeldhouwer en zijn moeder was schilder. Naast zijn vader was ook zijn grootvader een gerenommeerd beeldhouwer. Toch werd hij door zijn ouders niet aangemoedigd om een carrière in de kunstwereld na te streven. Hij besloot dan ook om werktuigbouwkunde te gaan studeren. Calder was in feite al een intuïtieve ingenieur sinds zijn kindertijd — hij maakte zijn eerste kinetische sculptuur toen hij elf jaar oud was — en nu werd daar een theoretische laag aan toegevoegd. Maar het kunstenaarschap zat in zijn bloed en vanaf 1923 volgde Calder ook nog een tweejarige kunstopleiding aan de Art Students League in New York. In 1926 vertrok hij naar Parijs, waar hij de Académie de la Grande Chaumière (kunstacademie) bezocht en kennismaakte met beroemde avant-gardistische tijdgenoten, waaronder Joan Miró, Marcel Duchamp, Hans Arp, Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Vooral Miró en Mondriaan zouden grote invloed op hem uitoefenen. Nadat hij in 1930 een bezoek had gebracht aan Mondriaans studio in Parijs raakte hij geïnspireerd om zijn eerste ‘mobiles’ te maken; lichte, open en hangende draadsculpturen waarin hij beweging, balans en abstracte, biomorfe vormen combineerde. Calder: “Het was mijn bezoek aan Mondriaans atelier dat me abstract maakte. Ik stelde voor dat het misschien leuk zou zijn om een aantal van zijn rechthoeken te laten oscilleren. Hij reageerde met een heel serieus gezicht: ‘Nee, dat hoeft niet, mijn schilderijen zijn op zichzelf al erg snel.’” Calder besloot vervolgens om precies dat te gaan doen: abstracte kunst in beweging laten komen. Later kwamen daar ook grote, stationaire ‘stabiles’ bij. Calder: “Een stabile is iets waar je omheen of doorheen loopt, terwijl een mobile danst voor je ogen.” Overigens was het Duchamp die de naam ‘mobiles’ bedacht en Miró doopte de ‘stabiles’. Calder maakte in zijn leven ook schilderijen, sieraden, kostuums en theatersets. Hij maakte gedurende zijn tijd in Parijs ook een compleet circus van alledaagse materialen, dat tegenwoordig onder de performancekunst zou vallen — een medium dat toen nog niet officieel bestond.

Calder wordt beschouwd als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de kinetische en moderne beeldhouwkunst. Tegenwoordig vind je zijn werken in vrijwel alle grote moderne en hedendaagse kunstmusea. Wat het werk van Calder zo uniek en vernieuwend maakte is dat hij als eerste beweging toevoegt aan de beeldhouwkunst, een medium dat tot dat moment vooral bekend staat als statisch medium. Een sculptuur wordt niet meer automatisch met een beitel uitgehakt en op een sokkel geplaatst, maar kan zweven in de ruimte. Hoewel hij ook een paar motorisch aangedreven werken maakte staat hij het meest bekend om de werken die worden aangedreven door luchtstromen. Calder had altijd draad en een tang op zak, zodat hij op een geïnspireerd moment direct kon ‘schetsen’ in de lucht.
In de jaren dertig verhuisde Calder terug naar Amerika met zijn vrouw Louisa James — de achternicht van de beroemde auteur Henry James. De jaren veertig en vijftig waren een uitzonderlijk productieve periode voor de kunstenaar. In 1963 koos hij opnieuw voor een atelier in Frankrijk, in Indre-et-Loire. Het land had veel indruk op hem gemaakt en hij gaf veel van zijn werken gedurende zijn carrière dan ook een Franse naam, onafhankelijk van waar hij ze maakte.

Calder was tijdens zijn leven al erg succesvol: hij werd gevierd door de curatoren van het MoMA in New York en in 1943 kreeg hij daar zijn eerste grote retrospectief. Het Guggenheim en het MOCA in Chicago volgden in de jaren daarna. Toch werden zijn werken in die periode nog niet verkocht voor de astronomische bedragen die er nu voor worden neergeteld. Zo kocht Solomon. R. Guggenheim van het gelijknamige museum in 1941 een werk voor 233 dollar (wat nu zo’n 4000 dollar zou zijn) en het MoMA betaalde voor hun eerste Calder slechts 60 dollar, afgedongen vanaf 100 dollar. Ter vergelijking: in 2014 werd er op een veiling van Christie’s maar liefst 25,9 miljoen dollar betaald voor zijn mobile ‘Poisson Volant’ (‘Vliegende Vis’) uit 1957.

Het werk van Calder is op zichzelf al buitengewoon indrukwekkend, maar wat de tentoonstelling in de Kunsthal zo prikkelend maakt is dat ze zijn werk combineren met het werk van tien toonaangevende hedendaagse kunstenaars, die allemaal op hun eigen manier geïnspireerd zijn door zijn oeuvre en innovaties. Deze installaties tarten de zwaartekracht, creëren optische illusies en dagen al je zintuigen uit.

Olafur Eliasson, Expositie ‘Calder Now’. Foto: Ossip van Duivenbode.

Zo vind je in de tentoonstelling ook een andersoortige mobile: een veelvlakkige polyhedron van Olafur Eliasson, die licht reflecteert op de omringende muren. Zijn werk was in 2019-2020 nog te zien in een gigantische tentoonstelling in Tate Modern. De Deense kunstenaar is misschien wel het meest beroemd vanwege de kunstmatige zon die hij een paar jaar daarvoor voor de turbinehal van datzelfde museum maakte. Of de kolossale ijsblokken die hij in 2018 voor het museumgebouw plaatste. Met de twaalf langzaam smeltende blokken ijs van de Groenlandse ijskap wilde hij op een tastbare manier aandacht vragen voor de opwarming van het klimaat. 

Ernesto Neto, ‘It happens when the body is anatomy of time’ (2000), National Galleries of Scotland, Foto: John Mckenzie

Het meest in het oog springende werk in de tentoonstelling is misschien wel het monumentale werk van de Braziliaanse kunstenaar Ernesto Neto. Zijn installatie ’It Happens When the Body is Anatomy of Time’ (2000) bestaat uit geurige kruidnagel, komijn en kurkuma, in grote lycra zakken die in diagonale vormen zijn gepositioneerd in de ruimte. Net als Calder denkt hij buiten de conventionele structuren van wat beeldhouwkunst kan zijn. Zijn grote, vaak halfdoorzichtige sculpturen hebben net als Calders werk biomorfe vormen, geïnspireerd op de natuur en levende organismen. De zachte, geurende buizen nodigen de kijker haast uit om de werken even aan te raken en hoewel de objecten stationair zijn lijken ze wel degelijk beweging te suggereren.

De Amerikaanse kunstenaar Simone Leigh, die de VS volgend jaar zal vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië, is op dit moment één van de meest gevierde hedendaagse beeldhouwers. Ze sleepte verschillende prestigieuze prijzen in de wacht. Leigh gebruikt het medium als een manier om onderzoek te doen naar Zwarte geschiedenis en de historische commodificatie van het Zwarte lichaam. De sterk aangezette, stereotype gezichtskenmerken van Zwarte mensen zijn in de geschiedenis vaak gebruikt door witte mensen in keramieken gebruiksvoorwerpen. Leigh speelt daarmee door de rokken van haar sculpturen soms te voorzien van een oor, als dat van een theekopje. Ze heeft in haar mysterieuze sculpturen vooral oog voor Zwarte vrouwen. Leigh: “Zij zijn weggelaten uit het archief en de geschiedenis.” De beeldhouwer kiest daarbij voor ongebruikelijke materialen en vaak ronde en conische vormen. Ze giet bijvoorbeeld vormen van watermeloenen — een vrucht die in de Verenigde Staten symbool staat voor een racistisch stereotype. Die vorm verwijst ook naar andere negatieve associaties rondom de curves van het zwarte lichaam.

Sarah Sze, ‘Still Life With Desk’ (detail) (2013-2015), Mixed Media, Dimensions variable. © Sarah Sze. Courtesy the artist and Victoria Miro

Sarah Sze gebruikt haar sculpturen juist om iets te zeggen over onze uit de hand gelopen consumentencultuur en de rol die technologie en informatie spelen in ons leven. Net als Calder maakt ze zowel mobiles als stabiles. De Amerikaanse kunstenaar kiest voor haar installaties vaak goedkope, alledaagse materialen en verwijst in de vormen onder andere naar DNA-structuren en het werk van abstracte kunstenaars uit de vroege twintigste eeuw — waaronder Calder en kunstenaars uit het constructivisme en De Stijl. In 2003 sleepte ze de prestigieuze McArthur Fellowship (de “Genius Grant”) in de wacht en ook zij vertegenwoordigde haar moederland op de Biënnale van Venetië. 

in New York wonende Litouwse kunstenaar Žilvinas Kempinas toont in de tentoonstelling één van zijn poëtische en kinetische mobiele sculpturen, waarvoor hij gebruik maakt van de afgewikkelde magneetband van videobanden. Dankzij de toevoeging van een ventilator komen deze linten haast tot leven. Kempinas: “Ik voel me aangetrokken tot dingen die hun eigen banaliteit en materialiteit kunnen overstijgen, om iets anders te worden – iets meer.” Hij toonde zijn werk eerder onder meer tijdens de Biënnale van Venetië en in een grote solotentoonstelling in het MoMA in New York. In 2007 mocht hij de Calder Prize in ontvangst nemen.

De Japanse kunstenaar Aki Sasamoto maakte speciaal voor deze tentoonstelling een nieuw performancewerk. Ze vervult op dit moment een residentie in Atelier Calder in Saché in Frankrijk, in het voormalige atelier en woonhuis van de kunstenaar. Deze, en de andere getoonde kunstenaars zijn allemaal schatplichtig aan Alexander Calder, niet alleen in de vorm, maar ook in de manier waarop hij op een visionaire en innovatieve manier keek naar de mogelijkheden van de beeldhouwkunst. 

Het werk van Calder en tien hedendaagse kunstenaars is nog tot en met 29 mei 2022 te zien in de Kunsthal in Rotterdam. Veel van deze sculpturen en installaties beleven in deze tentoonstelling hun Nederlandse premiere.